Eigen speelruimte

Het is een fraaie herfstdag. In onze buurt is een leuk park waar we regelmatig langskomen. De terugkerende vraag van mijn vijfjarige zoon om in het speeltuintje te spelen, doe ik meestal af met: "Geen tijd". Want voor een nijver mens is het zomaar zitten op een bankje al gauw verloren tijd. Deze dag gun ik het hem. En mezelf. Want eenmaal daar op het bankje geniet ik mee. Van de zachte warmte van de zon. Van de vrolijke speelgeluiden. En nu ik eraan toegeef: van het lekker niets doen.

Het prachtige weer lokt meer moeders naar buiten. Het is boeiend om te zien hoe ze met hun kinderen omgaan. Er is een moeder aan het lezen in de Elsevier. Haar peuter probeert van alles uit op het klimrek. Af en toe roept ze: "Mama, kijk eens wat ik al kan!" Ze staat er bovenop met haar handen nog vast aan het rek. "Mama, ik kan ook met handen los". "Echt waar?" Ze kan bijna niet kan geloven dat haar dochter zo knap is. De voorgewende twijfel stimuleert. Even later staat de kleine meid te balanceren met haar handen in de lucht. Het zelfvertrouwen straalt ervan af. Ik zie een tweetal in evenwicht. Moeder heeft rust en ontspant zich. Haar dochtertje vindt het heerlijk om lekker haar gang te kunnen gaan. Om nieuwe dingen uit te proberen en die vol trots te laten zien.

Een andere moeder maakt duidelijk een ander moment door. Het evenwicht tussen haar en haar zoontje is uiterst wankel. Ze doet haar best om alle denkbare gevaren te voorkomen. Hij probeert op de glijbaan te komen, maar is er duidelijk niet erg bedreven in. Moeder staat met uitgestoken armen klaar. Want als hij valt! "Pas op!" "Hier je voet. Goed zo." "Nee, hierheen. Niet te hard!" Pff, dat is ook weer goed gegaan. Ze gaat weer zitten op het bankje. Haar wakend oog ziet nieuwe mogelijke ongelukken. Dat grote gat in de zandbak ... hij kan achterover vallen. Weet je wat, ze gaat op de rand van de zandbak zitten. Dan kan ze te hulp schieten als het mis gaat. Zoonlief lijkt al die aandacht van zijn moeder niet erg op prijs te stellen. Aan de lichaamstaal zie je dat hij meer ruimte wil. Je hindert me in het lekker spelen, ga toch weg!

Je eigen gang kunnen gaan is verrijkend. Toen onze oudste nog geen twee was, heeft ze dat prachtig geïllustreerd. Op een avond deden de we afwas in de keuken. Af en toe wierp een van ons een blik in de kamer om te zien of het nog goed ging. Ik zag haar in de buurt van het hobbelpaard. Ze zou er toch niet zelf op gaan klimmen! Heel gevaarlijk. Sst, laten we eens kijken of ze dit voor elkaar krijgt. Natuurlijk waren we ook bang voor een grote klap, maar we waren vooral nieuwsgierig. We gluurden door een spleetje van de deur. Je zag haar denken. Oef, dit beweegt, daar maar vastpakken. Nee, zo kom ik er niet. Weg dat beentje. Boing. Weer opnieuw. Na nog wat pogingen: ik zit!! En hobbelen maar. Geweldig, wat een prestatie.

En als ik naast haar had gestaan? Ongetwijfeld had ik haar er op verzoek in getild. Of allerlei adviezen gegeven. Ze zou niet zelf aangevoeld hebben waar het te gevaarlijk werd. Want als mama naast je staat, vangt ze je heus wel op. Als ze dan zou vallen, zou ze vast huilen. Want mama is er toch om je te troosten? Het is de vraag of ze uiteindelijk wel in het hobbelpaard was gekomen. Nu had ze alles zelf gedaan. Door zelf de regie te mogen hebben, leerde ze controle over haar klauterpartij te hebben. De tegenslag nam ze voor lief. Niks zielig als je even valt, gewoon doorgaan. Alleen op een iets andere manier.

Intussen is ze, zeker niet zonder vallen en opstaan, elf jaar geworden. Ongelukken bleken in een klein hoekje te zitten. Gedurende haar opgroeien is me een ding steeds duidelijker geworden. Dat kinderen het meest leren van zo min mogelijk ingrijpen. Eigenlijk is een onoverkomelijke gevaar de enig steekhoudende reden om te hulp te schieten. Van zelf uitproberen ga je je lichaam steeds beter beheersen. Dat geeft zelfvertrouwen.

Vandaar dat ik ook lekker blijf zitten op het bankje in de speeltuin en kijk. Naar wat mijn zoon al kan.


> Alle columns